De bijleenregeling is duidelijker geworden
7 september 2010 - Demissionair minister De Jager van Financiën heeft een aantal nieuwe standpunten ingenomen over hoe de Belastingdienst omgaat met bepaalde situaties waarin de bijleenregeling kan spelen. Dit kan gevolgen hebben voor uw hypotheekrenteaftrek. De nieuwe standpunten zijn op 3 september ingegaan.
Als u uw woning met winst verkoopt moet u de overwaarde in uw nieuwe woning steken. Doet u dat niet en leent u dit bedrag gewoon bij, dan heeft u over dat bedrag geen recht op hypotheekrenteaftrek meer. De lening waarover u de rente mag aftrekken, mag dus niet hoger zijn dan de aankoopprijs van uw nieuwe woning minus de overwaarde van uw oude woning. Er zijn nogal wat situaties te bedenken waarin het lastig is vast te stellen of de bijleenregeling van toepassing is. De Jager geeft hier meer duidelijkheid over in een herzien besluit.
Vijf nieuwe standpunten
Ten opzichte van het vorige besluit zijn er vijf nieuwe standpunten te weten:
- Ook als uw woning van eigenaar verandert zonder dat daar geld mee gemoeid is – de zogenoemde fictieve verwerving – is de bijleenregeling van toepassing. Denk daarbij aan de beëindiging van een verhuis- of echtscheidingsregeling of vruchtgebruik van de eigen woning.
- Als u trouwt in gemeenschap van goederen of u laat uw huwelijkse voorwaarden wijzigen of u gaat een geregistreerd partnerschap aan waardoor een boedelmenging ontstaat, heeft dit geen gevolgen voor de bijleenregeling.
- Heeft u een deel van uw oude hypotheek gebruikt voor andere zaken dan uw nieuwe woning – bijvoorbeeld een boot of een auto – dan telt dat bedrag niet mee voor de berekening van de overwaarde en dus de bijleenregeling voor uw nieuwe woning.
- Kunt u de overwaarde van de verkoop van uw oude woning niet gebruiken omdat uw bank failliet is gegaan, dan kan het afhankelijk van de omstandigheden zo zijn dat de bijleenregeling niet geldt. Wel moet uw bank dan vallen onder de Europese toezichtregels.
- Sinds 1 januari 2010 vervalt de eigenwoningreserve na drie jaar in plaats van na vijf jaar. Deze termijn geldt ook voor op 1 januari 2010 bestaande eigenwoningreserves waarvoor nog de vijfjaarstermijn gold.
